Dankjewel voor je interesse in één van mijn beste verhalen uit ‘Verwonderaar’. Geniet hieronder van mijn beklimming van de Col de Croix de Fer!
Wil je meer van dit soort verhalen, klik dan onder het verhaal op de bestelknop. Verwonderaar ligt dan binnen drie dagen in je brievenbus in beschermende brievenbusverpakking.
Het IJzeren Kruis
Tour de France, Amstel Gold, Luik-Bastenaken-Luik, De Hoogmis (Ronde van Vlaanderen), Paris-Roubaix. Joop Zoetemelk, Hennie Kuijper, Gerrie Knetemann, Jan Raas, Gert-Jan Theunisse, Steven Rooks. Bergen, Kasseien, regen, kou, zinderende hitte, sneeuw. Klimmers, sprinters, knechten, stoempers, tijdrijders.
Wielrennen is één groot geheel van diversiteit, maar met één grote gemene deler: het Lijden.
Het Lijden, dat is wat er in mijn jeugd is ingeramd: zonder lijden bereik je niks. Alleen door hard werken en afzien behaal je je doel. Het aardse leven is er om serieus genomen te worden, niet om al te luchtig mee om te springen. Ernst als basis. Het kan zijn dat daar, in dat vroeg aangeleerde patroon, mijn fascinatie voor wielrennen lag. Kijk maar eens naar een veldrijder na een natte cross in de winter. Dat kan niet leuk zijn om te doen.
En toch is het mooi.
In de grote vakantie gingen we vaak twee weken met het gezin op pad: eerst naar Neede of Hoogeveen en later naar Engeland. De rest van de vakantie werkten m’n ouders door, om zodoende wat snipperdagen te sparen voor onvoorziene gebeurtenissen. Ik speelde op het strand, in de duinen, bij de sportvereniging of aan de haven.
Maar als Radio Tour de France op de radio was, kwam ik ‘s middags amper het huis uit. De zwart-wit TV-uitzending begon vaak pas rond vier uur, half vijf, als de etappe nog maar kort te gaan had. Tot die tijd luisterde ik naar Theo Koomen, die uitblonk in het verzinnen van ontsnappingen, valpartijen, zwetende lichamen, wapperende manen, dansende pelotons en (voorkomen) onheil. Theo was een icoon, de Nationale Wielerverteller. Niemand kon beter verhalen vertellen dan Theo. Hij bracht je niet vanuit ontspanning, maar vanuit opwinding in hypnose. Van achter op de motor deed hij verslag van de koers, en hij maakte van iedere stuurfout een enorm drama. Toen Hilversum 1 kond deed van zijn overlijden bij een noodlottig ongeval was heel sportminnend Nederland van slag. Vertellers van zijn signatuur worden niet vaak geboren. Het zijn bijzondere ‘ooms’ die je nooit op een verjaardag tegen zult komen, want op dat moment doen ze voor de radio verslag van bijvoorbeeld Telstar tegen Helmond Sport. Van die oersaaie wedstrijden uit de Eerste Divisie, die, ondanks de neergutsende regen, vanuit zijn mond dezelfde beleving kregen als Real Madrid tegen Barcelona.
Jean Nelissen was er ook zo eentje. Hij had het altijd over doping in de wielersport en als hij vertelde dat er ‘ampullen waren gevonden op een hotelkamer’, wist iedereen dat het serieus was. De naam van de dopingzondaar hield hij als cliffhanger nog even geheim. Goed voor de persoonlijke marketing van Jean, die aan het eind van zijn – rijk door de drank doordrenkte – Latijn nog een rubriekje had in de Avondetappe bij de NOS. Om hem te beschermen bracht de regie hem van ver in beeld. Achterin een café deed hij zijn verhaal, zodat niet iedereen kon zien dat de alcohol hem op de knieën had gekregen. Iedereen wist het, maar het werd, heel katholiek, zo goed mogelijk voor de kijker verborgen gehouden. Nooit zullen we weten welk trauma er bij Jean onder de drank verstopt zat. Jeans laatste TV-etappe was een waardig klein drama, tekenend voor de wielersport.
Wielrennen staat model voor het echte leven: het reeds genoemde Lijden, maar vooral de opbouw naar een climax, de combines (onderlinge verbondjes), het immer loerende verraad, het profiteren van elkaar, de afrekeningen van oude vetes, het elkaar ‘flikken’, de mooie bijnamen, het drama, doping en bizarre plotwendingen. Alles zit erin.
Boeken en (literaire) tijdschriften worden er mee volgeschreven. Die zijn het lezen vaak meer dan waard.
Mijn talent lag niet in het wielrennen; al is de racefiets altijd m’n metgezel. Het hooggebergte, waar ik van droomde, durfde ik op de één of andere manier lang niet aan. Het was mijn pad nog niet. Zulk Lijden was me teveel, voelde ik.
Tot ik niet meer anders kon. De Kruisweg moest befietst worden. Het kruis, dat Moeder Aarde met het Kwantumveld verbindt via het verticale kruisdeel, en alles wat leeft via het horizontale kruisdeel. Er was voor mij echter maar één weg: schuin omhoog de Croix de Fer op.
De Col de Croix de Fer. Een ware Alpenreus. Een Pokkending. Sluipmoordenaar pur sang. De nurkse buurman van Alpe d’Huez. Dertig jaar stelde ik fietsen in het hooggebergte dus uit. Geen verkeerde vorm van uitstelgedrag, want waarom zou je in hemelsnaam?
Dertig jaar verzon ik uitvluchten. ADHD, studeren, gezin, samen dingen doen, niemand wil mee, ze vinden me gek, etc. etc. De voorste hersenen zijn sterk.
Tot het niet meer anders kon. De drang was te groot. Ik moest. Waar was ik eigenlijk bang voor? Voor de les die deze puist me zou leren? Was het angst voor De Man Met De Hamer? En wie is die man helemaal?
Is het de berg of ben ik het zelf?
Ruim dertig jaar na mijn eerste met krantenwijken gespaarde Superia racefiets vond ik mezelf in de zomer van 2019 terug op de flanken van de Croix; langs stuwmeren, bergdorpjes en steenwoestijnen. Zeker zeven keer sterven, pure zelfkastijding. De hel is zo erg nog niet. Nog een paar kilometer met tegenwind, dan ben ik er. Het IJzeren Kruis dat boven wacht, wacht me op met open armen.
In de pure eenzaamheid van de klim werd mijn lijntje met het Universum voorzichtig opnieuw gelegd. Boven aangekomen, na een klim van meer dan twintig steile kilometers, leken de armen van het IJzeren Kruis me beet te pakken.
“Je mag er zijn, De Graaf”, hoorde ik een niet aanwezige stem fluisteren. Wie zei dat? In verwarring ging ik snel op de foto; insta or it didn’t happen.
En ja, ik kwam mezelf keihard tegen op de Col de Croix de Fer, maar de zin ervan was me op dat moment nog niet duidelijk.
In de badkamer staat een houten paneeltje met een aandenken aan die dag. Op een avond, bij het poetsen van mijn tanden, keek ik er naar en ik wist ineens waarom ik die berg op moest. Ik moest het lichamelijke Lijden aangaan, aanvaarden en doorleven, zodat het emotionele lijden vrij kon komen. Bij mij gebeurde dat niet direct, maar later.
Ieder heeft zijn eigen Kruisgang en iedereen kiest zijn eigen tijd om de Louteringsberg te betreden.
Die dag maakte ik onbewust een begin met thuiskomen. Eerst het lijden, dan de transformatie. Pas lang daarna werd de symboliek pijnlijk duidelijk. Het universum bereidde me voor op grote stappen die ik moest nemen. Niets is voor niets.
Croix de Fer. IJzeren Kruis. Alpenreus. Vriend. Uitdager. Leermeester. Ik ben je eeuwig dankbaar.